O wonderschone ravenzwarte bloemenbladeren, o geel en rozerode tong. Van de bloem die mij gevangen hield. Van de bloem die bijna vrucht is. Bijna vrouw.
Ik voel je zachte zwarte huid -haast wit, zo zwart. Je adem, huid!, je adem in je huid. Je huid als ademhuis. Je huis als thuis, als muis -te vroeg.
Adem, adem, adem in je huid. Amen in het huis. Je huis als huid. Je huis als kluis. Kluis voor armen ademnood. Armen waternood. Je huis, je noot. Amen waternoot. Je huis, mijn muis je amenhuis. Je huis mijn kluis mijn nacht.
(...)
-O hoe verlang ik er naar mij te onderwerpen, overweldigd te worden door een Griekse godin. Op mijn rug gaan liggen. Mijn weke vlees als gerecht in de schotel van mijn lichaam. Ik bied me aan een weinig gezouten doch hemels zoet. Weest niet bevreesd: dit is een val. Een val die g'zangen vangen moet. Doch weet dat slechts het zachte vlees mijn zachte vlees beroeren kan. Ik wil je hier ik wil je nu ik wil je nemen dat je me neemt. Dat je me neemt dat je me meeneemt, dat je me meeneemt naar de zee. Dat je me meeneemt naar de zee van de maan. Je me meeneemt naar de maan. Me meeneemt naar de maan. Naar de maan van de zee. Naar de zee van de maan. Van de maan van de man van de vlag. Van de man van de vlag. Van de vlag-ge-man. De man met de wimpel de man met de hoed de man met het zwarte ondergoed. Vol kantjes en boordjes en zijtjes aan zij. De man van zijde de man van mij. De man van zijde en smaragd. Fluweel van zijde en smaragd. Fluweel van rouw van zijde zwart. Smaragd de vrouw op zijden smart. De smart de rouw het zwarte 'k hou van jou. 'k hou van jou ik hou van u. De kleine 'k' bij grote jow. De kleine ik bij ronde u. De u bent rond. De plu is rond -de zwarte paraplu is rond. Uw cul is rond. Ik ben uw mond.

Ik ben een mond van rozendoornen. Gevangenis voor jouw geslacht. Ik scherm schermutsel mutsel in. De nacht. De nacht is jouw geslacht. Geslacht. Ik wacht op jouw geslacht. Op jouw geslacht dat telkens komen-gaat. Op jouw geslacht dat open gaat. Jouw geslacht en mijn mond mijn rozerode doornenmond. Mijn kuslust is als bloed.
Ik kus je zachte handen. Ik kus je skelet. (Ik kus de geringe hoeveelheden overtollig vet.)
(...)
Witte witte arendskelk. Je witte dikke blad. Je mond je blad je arendsoog. Je witte dikke kus. Je witte dikke kus van rust. Je witte dikke rust.
Je witte wangen hab'ich zevenmaalzevenmaalzeven maal gekust. Je gele tong je witte lip je groene aders heb ik opgelikt. Je groene aders op de grond. Je groene slangen in mijn mond. (Je groene handen op mijn kont. Je groene wagenrode zonsondermorgenstond.)
Gisteren vandaag.



Gent, augustus 1989